marcinindonesia


1 Comment

EEN DAGJE NAAR NONE

Vrijdag 11 november 2016. Om 7u na het ontbijt vertrekken wij met Lucas onze chauffeur en Augustino onze gids op weg naar None. Een 12 km buiten Kupang stoppen wij een eerste maal om de verschillende gekweekte gewassen van nabij te bekijken. Wij zitten hier in de groententuin van Kupang. Het boerenwerk geschiedt hier nog echt manueel. Een vrouw maakt met een stok gaten in de grond om nieuwe groenten te poten. De boeren staan hier ’s morgens om drie uur op om de groenten op tijd voor het ontbijt in Kupang te krijgen. Wij rijden nog enkele kilometers verder en stoppen waar er zout verkocht wordt lang de kant van de weg. Wij gaan eventjes binnen bij een zoutverkoper. Het natte zout wordt uit de zee geoogst. Deze loogoplossing wordt verwarmd tot het water uitgedampt is. Hierna wordt het zout op een doek gelegd om nog verder uit te lekken. Het zout wordt dan ofwel in grote zakken van 40 kg verpakt, ofwel in kleine zakjes verpakt en die worden dan aan de kant van de weg verkocht. Wij rijden verder naar Oebelo, waar wij een shop waar ze artisanaal sasando’s maken, bezoeken. De sasando is een soort plaatselijke harp met 28 of 56 snaren, gespannen op een bamboustengel en die met beide handen bespeeld wordt. Als resonantiekamer worden gedroogde lontarpalmbladeren (Borassus flabellifer) gebruikt. Eerst krijgen wij door een oude man enkele traditionele liedjes te horen en hierna speelt een jongen op de sasando met een versterker enkele liedjes van Clapton, de Beatles, en zelfs wat klassiek. Het lijkt mij een moeilijk bespeelbaar instrument te zijn. De volgende stop is bij een plaatselijke stokerij. Hier laat men het sap van palmbloemen, samen met takken en kruiden, gisten. Het gefermenteerde sap wordt in een metalen ton gegoten en deze wordt verwarmd. Via koperen buizen die in een bad met koud water lopen, druppelt de vloeistof in een recipient. Ik krijg een glas van het goedje aangeboden. Best krachtig spul, en lekker bovendien. Ik krijg als geschenk zomaar een flesje mee. Wij nemen afscheid en rijden verder naar Soe, dat op een 110 km van Kupang ligt. Hierna is het nog even verder doorrijden naar None. Onderweg houden wij nog even halt om de vallei van de Mina rivier te overschouwen. Ook even aan een plaats waar de grond vrijgemaakt werd om aan landbouw te doen. Het braakliggend land wordt met een omheining afgesloten tegen dieren en bij de start van het regenseizoen wordt alles aangeplant. Gedurende drie jaar wordt de grond gebruikt en nadien weer verlaten. Wij bereiken nu None. De structuur van de hutten is hier totaal anders dan wij tot nu toe al gezien hebben, ze hebben de vorm van een bijenkorf. De deuropening is maar een meter hoog, het wordt dus flink bukken om binnen te komen. Alles is hier zwart van het roet. Ook hier zijn de mensen gastvrij en vriendelijk. Even verder staat naast een hut die duidelijk recentelijk een nieuw strooien dak kreeg, de overdekte vergaderplaats van de dorpsoudsten. Hier worden de gemeenschapsbeslissingen genomen. Iets verder staat de offerplaats waar ook dieren geofferd worden om een goede oogst te bekomen. Voor de vroegere oorlogsvoering werd als voorspelling een ei op een lans gebracht. Als het ei brak en de kleur was geel trok men op oorlog, was de kleur echter rood, betekende dit dat zij de oorlog zouden verliezen en startten zij de oorlog niet. None is ook het laatste Timorese dorp waar nog aan koppensnellerij gedaan werd tot in 1945. In de verte is het intussen onheilspellend aan het rommelen. Wij keren nu terug en houden halt aan een plantage van salak of slangenvruchten (Salacca zalacca). Ook kokospalmen worden hier gekweekt voor gebruik van vet. Hiervoor wordt het kokoswit fijn gemaakt en vervolgens geperst. Verder onderweg naar Soe valt echt op hoe de lokale bevolking een nieuw, meestal stenen huis heeft, maar hierachter nog de traditionele bijenkorfhut gebouwd heeft. Wij lunchen in Soe en rijden dan door naar Kupang. Het moet hier flink geregend hebben, want geregeld rijden wij door grote plassen. Even rond halfvijf bereiken wij ons hotel. Nadat wij eventjes de plaatselijke vismarkt bezocht hebben, een biertje gedronken hebben ga ik nog even zwemmen. Morgen vertrekken wij naar Jakarta.

marc

 

Advertisements


2 Comments

VAN FLORES NAAR TIMOR

Woensdag 09 november 2016. Gisteren een dagje Maumere. Na het ontbijtbuffet werd het een voormiddag rond en vooral in het zwembad van het hotel vertoeven. Wij ziin hier alleen. Het water is lauw en leuk is dat je hier niet transpireert, maar anderzijds is de zon hier ook ongenadig met een uv-index van elf. Resultaat is dat ik, niettegenstaande ik zoveel mogelijk de schaduw opzoek, na enige tijd qua kleur op een gekookte kreeft begin te lijken. Insmeren dus en tegen de middag de frisse kamer opzoeken. Hier kan ik nog even informatie over ons volgende reisdoel, West-Timor, opzoeken. Om 16u 30 gaan wij naar de ingang van ons hotel. Hier hebben wij afgesproken met Rino om ons naar het Coconut Beach Resort te voeren. Het wordt eventjes rijden. De locatie is erg mooi gelegen aan de zee, maar afgelegen en duidelijk op strandvakanties gericht. Wij blijven hier dineren. De spijskaart is eerder beperkt, westers gericht en iets duurder dan gemiddeld. Maar het smaakte wel. Intussen is het goed donker geworden en rijden wij terug naar ons hotel.

Deze morgen na het ontbijt hetzelfde ritueel als gisteren: na het ontbijt een verfrissende duik nemen in het zwembad. Daarna onze twee laatste overheerlijke mango’s gegeten, bagage ingepakt, waarbij ik een aantal zaken uit mijn rugzak haal om als handbagage te fungeren, gezien het gewicht per persoon slechts 15 kg mocht bedragen en dan maar wachten tot halfelf, wanneer Rino ons komt halen om ons naar de luchthaven te voeren. Het is maar 10 minuutjes rijden. Aan de balie kunnen wij onmiddellijk inchecken: er is niemand en er zijn drie balies open. Het gezamenlijk gewicht van de bagage bedraagt vijf kilogram te veel, maar dat is geen probleem. Wij krijgen water en een pakje koekjes mee voor onderweg. Het vliegtuig is een half uur te laat en de vlucht duurt een goed halfuur. Wij worden op de luchthaven van Kupang opgewacht door de gratis shuttledienst van het hotel On The Rock en even later komen aan in het hotel. Nu even uitkijken om vervoer naar Soe en none te organiseren. In het hotel hebben ze wel vervoer, maar de chauffeur spreekt geen woord Engels. ’s Avonds om 7 u zal een gids hem vergezellen. Dan maar op internet verder gekeken. Wij zijn intussen ook eventjes te voet naar Lavalon geweest. Hier bedraagt de prijs 1.500.000 voor de wagen en 300.000 voor de gids. Gezien wij zweten als paarden drinken wij hier een biertje en nemen dan een busje terug naar ons hotel. En maar wachten en maar wachten op de chauffeur en de gids die niet komen. Morgen zullen wij de omgeving verkennen en vrijdag gaan wij dan op tocht. Wij willen dan een of meerdere traditionele dorpen zien (None), Oebelo waar ze sasando’s maken en Tarus waar laru, een lokaal likeur gemaakt wordt.

marc